veertig-dagentijd

veertig-dagentijd

Hoe mooi 

Ik heb het de hele winter niet geweten
dat er van U, diep in het dode woud,
ergens wat goud bedolven lag.
Met lege hand en hart en tot geen offeranden klaar
trad ik in ’t bos en vond Uw eerste krokus in de zon.
Hij stond zo schitterend
op het donkergroene mos,
zo enig licht tussen het koude naakte hout
en iets
wat ik de ganse winter was vergeten,
ging weer aan het smeulen
met een teedre gloed.
Zo stond ik lang, gelukkig en verenigd,
met die kleine krokus in de zon
en wist opeens
hoe diep de kleinste dingen leven
en zei heel simpel: God, hoe mooi.

Uit: God in gedichten van Paul Verbrugge

terug